Aanmelden   Contact | Sitemap 
Naar de Homepage cdenhartog.com
dr. Erik Jan de Wilde


Goedemorgen, dames en heren. Mijn naam is dus Erik Jan de Wilde. Ik ben psycholoog, werkzaam bij de vakgroep Psychologie van de Leidse Universiteit. Daar werk ik sinds zo'n 5 jaar als universitair docent, onderzoeker en therapeut. Daarvoor werkte ik in Utrecht, in het Wilhelmina Kinderziekenhuis om me als psycholoog en onderzoeker bezig te houden met zelfdoding onder jongeren. Al met al zit ik nu zo'n 15 jaar in het onderzoek naar zelfdoding, suïcide.

Maar dat is niet de enige en ook niet de belangrijkste achtergrond die ik vandaag meeneem bij deze lezing.

Toen ik negen jaar was, nu 27 jaar geleden, sprong Ingrid, mijn zusje toen 15 jaar, van een gebouw af. En zo'n drie jaar geleden werd onze familie opnieuw getroffen door dit onheil en hing Carlo*, mijn zwager zich op aan het stapelbedje van zijn dochtertje. Ik ben dus ook een nabestaande van suïcide.

Mijn verhaal van vandaag rust op deze twee pijlers. De wetenschap en hulpverlening aan de ene kant, en mijn persoonlijke verhaal als nabestaande aan de andere kant. Ik wil vandaag een aantal thema's vanuit deze twee perspectieven bespreken. In de eerste plaats: wat weten we nu eigenlijk over wat mensen beweegt om suïcide te plegen? Vervolgens: wat zijn belangrijke thema's in de rouwverwerking na suïcide?

Waarom plegen mensen suïcide? Een simpele vraag met een ongelooflijk moeilijk antwoord. U als nabestaanden zult dit weten. Moeilijk, omdat we maar zo zelden verantwoord onderzoek kunnen doen naar gedrag met dodelijke afloop. Ik durf veilig te stellen dat ik nu, na 15 jaar onderzoek nog steeds niet weet waarom niijn zus en mijn zwager een einde aan hun leven hebben gemaakt. Ik heb wel de nodige vertnoedens en ik zou hier een verhaal op kunnen houden wat bij u en ook bij mijn familieleden geloofwaardig zou overkomen, maar weten doe ik het niet en ik heb min of meer geleerd te leven met het idee dat ik dit nooit echt zal weten.

Uit publicaties over die zeldzame gevallen waar verantwoord onderzoek gedaan is naar mensen die zijn gestorven door suïcide krijg ik in ieder geval de volgende indruk: dat er geen twee geschiedenissen hetzelfde zijn, Elk pad dat naar suïcide leidt is verschillend. En ook dat negenoeg dezelfde geschiedenissen bij de één wel tot suïcidaliteit kan leiden en bij de ander niet. Van mijn broer, die een jaar jonger was dan mijn zusje, heb ik niet de indruk dat hij ooit suïdaal zou kunnen worden. Van mijn andere zus, een jaar ouder dan mijn gestorven zus, ook niet. Toch groeiden zij beiden in vergelijkbare omstandigheden op en vertoonden zij ook beiden, net als ik, typische adolescentenproblematiek. Wij stammen allen uit een gezin met gescheiden ouders waar nogal wat conflicten voorkwamen en waar een inadequate stiefvader de vaderrol niet kon overnemen. Mijn moeder heeft het in meerdere opzichten erg moeilijk gehad, ook al voor de dood van haar dochter. Toch kwamen drie van haar kinderen goed terecht.

Er zijn nog andere risicofactoren, die liggen in de situatie, of in de persoon zelf. Men kan denken aan psychologischestoornissen zoals depressie, schizofrenie, angststoornissen, persoonlijkheidsstoornissen. Voor al deze beelden geldt inderdaad dat het voorkomen van suïcide hoger is dan onder de bevolking die niet met deze stoornissen kampt. Eigenlijk kun je voor elke groep die het moeilijk heeft al wel voorspellen dat ook zoiets als suïcide vaker voorkomt. Maar het is erg simpel om zoiets gecompliceerds als suïcide te willen verklaren uit één achtergrondkenmerk, zoals een gezin. De meeste mensen die in een moeilijk gezin opgroeien gaat het prima.

Nabestaanden denken in eerste instantie bij de oorzaak aan een directe aanleiding voor de suïcide. Iets wat daar net aan vooraf ging. Een ruzie, een teleurstelling, een frustratie. Inderdaad kan zelfs bij jongeren zoiets ogenschijnlijks triviaals als het uitgaan van een verkering voorafgaan aan een suïcide of suïcidepoging. We denken dan, dat kan toch niet, dat is toch te simpel, en dat klopt. Beter is het om zo'n gebeurtenis te zien als een druppel die de emmer deed overlopen. Als iets wat nog op al eerder gewortelde ellende komt.

Dat geldt eigenlijk voor alle zogeheten 'risicofactoren' voor suïcidaal gedrag. Pas in combinatie met andere factoren gaan ze een zware rol van betekenis spelen. Als u zou zeggen, is er een biologische component, is er iets aangeborens in suïcide, dan zou ik zeggen, ja, dat is er, namelijk dat voor een bepaalde vorm van depressiviteit een bepaald gen is gevonden, en depressiviteit is ook een zogeheten risicofactor voor suïcide. Tegelijk zeg ik er maar weer bij, de meeste mensen met dit gen plegen geen suïcide.

Is er dan wel iets algemeens te stellen? De psycholoog Schneidman uit Los Angeles heeft dit eens onderzocht. Hij vond inderdaad een aantal psychologische kenmerken die voor veel suïcides opgaan. Ik ga ze bespreken omdat ik vind dat deze factoren ons het beste iets verteller over wat er in een persoon om moet gaan om suïcide te plegen.

Suïcide is vaak een vorm van oplossingsgedrag

Het gaat erom een oplossing te zoeken voor een probleem, dat veel lijden veroorzaakt en dit lijden wil men niet langer dragen. Een aantal jaar geleden was meen ik in het Journaal de suïcide te zien van amerikaanse politicus die zichzelf met een pistool door de mond schoot, nadat hij bekend had gemaakt dat hij met bepaalde gelden fraude had gepleegd en een slecht beleid had gevoerd. Hij koos ervoor om de schande en schaamte die na die bekendmaking ongetwijfeld over hem en wellicht ook zijn gezin zou komen, niet of niet langer te verdragen.

In een bepaalde cursus die werd gegeven om suïcidaal gedrag bij leerlingen beter te kunnen hanteren, werd altijd een bepaalde oefening gedaan. Het gaat er daarbij om, je levendig te verplaatsen in iemand die zojuist bijkomt op een Intensive Care Unit van een ziekenhuis, waar hij of zij werd opgenomen vanwege een stiicidepoging. Na de oefening wordt gevraagd of er omstandigheden zouden zijn waaronder men een suïcidepoging zou doen. Het blijkt steeds weer, dat vrijwel iedereen dat kan. Die omstandigheden worden dan als volgt geformuleerd: bijvoorbeeld: als ik al mijn familieleden en vrienden zou verliezen. Als mijn gezin zou sterven. Als ik niets bereikt heb in het leven. Wat er dus uitkomt, is dat iedereen zich toch wel zoiets kan voorstellen. Waardoor suïcidaal gedrag dus in het algemeen niet bizar of onbegrijpelijk is, iets wat zomaar gebeurt. Nagenoeg altijd blijken 'onbegrijpelijke' zelfmoorden of suïcidepogingen dan ook wèl begrijpelijk, wanneer men zich probeert in te leven in de denkwereld en omstandigheden van de persoon. Bij mijn zus denk ik dat zij depressief was, en in een bepaalde tang is genomen. De tang van de macht. Zij verbleef het laatste jaar van haar leven in een tehuis voor moeilijk opvoedbare meisjes. Een aantal jaren geleden is dankzij exbewoonsters duidelijk geworden dat er in dit tehuis ontoelaatbare praktijken plaatsvonden in het zogeheten kader van opvoeding. Iets wat mijn moeder en verder iedereen toen niet wist. Als je in de tang genomen wordt, dan lijkt er vaak nog één oplossing.

Het (onmiddellijke) doel van suïcide is gewoonlijk het stoppen van het bewustzijn

Het onmiddellijke doel van suïcide is doorgaans niet direct de dood. Het gaat er veel meer om af te zijn van het bewustzijn, het moeten blijven verdragen van al die ellende. De dood is vaak het middel om dit te bereiken.

In mijn eigen onderzoek kon ik aan jongeren die een suïcidepoging hadden overleefd vragen waarom ze dat gedaan hadden: Hun antwoorden waren, in volgorde van mate van aankruisen:

  • De situatie was zo ondraaglijk dat ik niets anders wist te doen 79%
  • Wilde geen pijn meer voelen 74%
  • Wilde sterven 73%
  • Wilde een tijdje weg uit een onmogelijke situatie 70%
  • Mijn gedachten waren zo vreselijk dat ik daarvan af wilde zijn 57%
  • Wilde anderen duidelijk maken hoe wanhopig ik me voelde 44%
  • Ik leek de controle over mezelf te verliezen en weet niet waarom ik dat toen deed 40%
  • Wilde het voor anderen gemakkelijker maken 33%
  • Wilde weten of er iemand was die werkelijk van me hield 30%
  • Wilde hierdoor hulp van iemand zien te krijgen 28%
  • Wilde anderen betaald zetten voor de manier waarop ze me behandeld hadden 28%
  • Wilde iemand laten zien hoeveel ik van hem/haar hield 23%
  • Wilde dat iemand zich schuldig zou gaan voelen 18%
  • Wilde iemand van mening doen veranderen 12%

We hebben deze antwoorden geanalyseerd en zijn tot de conclusie gekomen dat zij in drie soorten uiteenvallen. In de eerste plaats, en het meest aangegeven, redenen die te maken hebben met het stoppen van bewustzijn, stoppen van psychische pijn. In de tweede plaats redenen met een appèlkarakter, en in de derde plaats, redenen met een soort wraakmotief. Die werden overigens maar weinig aangegeven.

De meest centrale gedachte bij suïcide is gewoonlijk hopeloosheid / hulpeloosheid
Hopeloosheid, dat is het idee: 'het zal niet veranderen, het wordt nooit meer goed', en hulpeloosheid is: 'ik kan mij niet helpen en iemand anders ook niet'. Uit onderzoek blijkt eigenlijk steeds weer dat dit de verbindende schakel zou zijn tussen depressie en suïcide. Dus op zich heb je het besef, het gaat nu echt heel slecht met me, en als daar nog eens bijkomt: het gaat niet meer over, want niemand, ook ik niet, kan me helpen, dan is dat een grote stap op weg naar suïcide.

De meest centrale emotie bij suïcide is gewoonlijk depressie
Dit spreekt welhaast voor zich. Onder depressieve patiënten is het vóórkomen het hoogst, en veel suïcidepogers zijn depressief.

Suïcide wordt gewoonlijk gekenmerkt door ambivalentie
Men wil en doet het ene, en tegelijkertijd wil en doet men ook het andere. Beiden zijn echt. Of. Men wil uit een ortmogelijke situatie, en tegelijkertijd hunkert men naar hulp en opvang.

Een voorbeeld uit een film over een telefonische hulpdienst in Amerika. Een man belt op en krijgt een hulpverleenster aan de telefoon. Hij maakt duidelijk dat hij het niet meer ziet zitten, een einde aan zijn leven wil maken en dat met een pistool wil doen. Het eerste ambivalente zit 'm al in het feit dat-ie kennelijk een einde aan zijn leven wil maken en ook opbelt. Als je echt alleen maar dat eerste wou dan zou je toch niet opbellen? Goed, de hulpverleenster luistert toe en vraagt persoonlijke gegevens. De man geeft zijn naam en adres door en nadat hij dat gedaan heeft, hoor je een knal en heeft hij zich door het hoofd geschoten. Toch gaf hij nog even daarvoor zijn adres en naam door, dat is ambivalentie.

Vaak is het eerste wat men doet na een niet-dodelijke suïcidepoging niet weer een suïcidepoging. Misschien geeft men zichzelf nog een kans. Dat kan natuurlijk een teken zijn van ambivalentie, maar ook dat men die suïcidepoging wel erg vervelend vond en daarom maar even van een volgende afziet.

Suïcidaal gedrag vindt gewoonlijk plaats in een toestand van blik-vemauwing
De persoon heeft gewoonlijk een te beperkt aantal opties waaruit hij kan kiezen. Wat had mijn zus anders kunnen doen? Van alles. Wachten. Iemand zoeken. Niets doen. Het punt is, men ziet vaak geen andere uitweg dan die suïcide, maar vaak zijn er wel andere opties. Mijn zus sprak bij de begrafenis van haar man een mooie tekst uit. Lang had zij getwijfeld over het zinnetje 'ik respecteer je keuze'. Om twee redenen. In de eerste plaats wist zij niet of zij dat eigenlijk wel echt deed. Ja, je moet wel hè, het is al gebeurd. Maar daar was zij toch niet zeker van. In de tweede plaats, welke keuze? Heeft hij gekozen? Als we op Schneidman afgaan is er een veel te beperkt aantal opties waaruit hij kon kiezen. Carlo is doodgegaan zonder aankondiging bij ons, zonder brief, zonder verklaring. Waarschijnlijk heeft hij heel lang in een eigen wereld naast de onze geleefd.

Is suïcide nou een groot maatschappelijk probleem?
Wat is dat eigenlijk? Als ik op het sentiment in de Nederlandse bevolking zou moeten afgaan, bekommeren we ons tegenwoordig in hoge mate om zinloos geweld. Er worden witte marsen gehouden, herdenkingsplaquettes geplaatst. En we zijn het er allemaal over eens: dat willen we niet hier. Maar als ik u nou vertel dat er jaarlijks minstens vijf keer zoveel mensen sterven door geweld tegen zichzelf als er sterven door geweld tegen anderen, verbaast het u dan niet dat daarover geen publieke verontwaardiging heerst? Dat we daar niet voor de straat op gaan? Misschien moesten we dat maar eens doen. Ik denk dat veel te maken heeft met hoe wij ons als nabestaande voelen. Het woord nabestaande alleen al. Daar zit een misschien wel calvinistische neutraliteit in. Er gaat iemand weg en er blijft iemand na. Een heel feitelijke beschrijving. In Amerika hebben ze een veel betekenisvoller woord voor nabestaande: survivor: overlevende. Wij bewaren dat voor andere vreselijke dingen: kampslachtoffers, veerbootrampen, watersnood-rampen. Maar in dat woord zit tenminste iets van een ramp. Ik durf wel te stellen dat wanneer je een zelfdoding van een dierbare meemaakt, wanneer je zoiets overkomt, dat je dan een ramp meemaakt. Een ramp waarvoor nog geen erkenning is. Is het niet cvnisch, dat ouders van wie de kinderen sterven door geweld van anderen, overladen worden met steun en positieve aandacht en publieke verontwaardiging, terwijl mensen wiens kind door zelfdoding sterft, vaak nog eens een extra klap krijgen door de matte reactie uit de omgeving?

Ik denk hierbij aan mijn moeder. Zij kon nooit goed over de dood van mijn zusje praten. Ook niet met mij, ook, niet toen ze wist dat ik me beroepsmatig met dit onderwerp ging bezighouden. Ik heb vaak op het punt gestaan om erover te beginnen, ben ook wel eens begonnen, maar kon me er ook niet toe bewegen het gesprek door te zetten. Ik merkte dat het stokte. Ik heb daar wel spijt van, dat ik dat nooit heb doorgezet. Maar op de een of andere manier voelde ik me toen niet bij machte om haar gerust te stellen of te troosten. Als toen iemand tegen mij had gezegd, dat wordt ook met van je verwacht. had ik wellicht de stap durven zetten. Pas toen mijn moeder stierf, 10 jaar geleden, konden we iets doen'. Wij hebben Ingrid op de steen van mijn moeder laten zetten. Zodat ook zij een plekje had waar wij naar toe konden gaan. Zij was uitgestrooid en niemand wist meer waar.

Rouw na suïcide is anders dan andere rouw. Rouw wordt vaak een stuk ingewikkelder, als, zo vertelt ons de Utrechtse hoogleraar verliesverwerldng Jan van den Bout, het overlijden onverwacht heeft plaatsgevonden, als er sprake was van een ambivalente of afhankelijke relatie met de overledene, als er nauwelijks of geen sociale ondersteuning is, of als het overlijden plaatsvindt na een traumatische gebeurtenis, zoals bij een ernstig verkeersongeval of een ramp. Als ik dan denk aan mijn zusje en mijn moeder, dan gaan al deze punten op. Het was onverwacht. Wie verwacht dat je kind daardoor zou sterven? Ambivalent? Ja, want hoeveel mijn moeder ook van Ingrid hield, ze heeft haar ook moeten laten gaan omdat ze moeilijk te hanteren was. Er was geen enkele sociale ondersteuning van mensen uit haar eigen dagelijkse leven. Er heerste een geroezemoes, overal, bij de bakker, de slager, de buren, bij mij op school. En was het een ramp? Die vraag had ik al beantwoord.

Rouwen doet iedereen anders. Ik weet nog dat bij het overlijden van mijn moeder iedereen in tranen was behalve mijn broer. Dat kan natuurlijk niet zomaar, subtiel, maar soms ook minder subtiel werd hem verstaan gegeven dat-ie best wat emoties mocht tonen. Waarom eigenlijk? Er zijn bepaalde opvattingen over rouw die heersen bij de meeste van ons. Van den Bout noemt ze rouwsluiers, omdat ze verhullen wat rouw eigenlijk is. Ik zal ze kort noemen:

Ten eerste, er treden vaste- universele. negatieve,- reacties op zoals verdoving, verdriet, somberheid angst en kwaadheid. Dat is vaak zo, maar niet bij iedereen. Er is juist erg veel variëteit. In het Utrechtse rouwonderzoek, was 40 % 4 maanden na het overlijden nog behoorlijk depressief. Maar meer dan de helft was dat op geen enkel moment na het overlijden.

De tweede opvatting is dat bij rouw bepaalde stadia of fases worden doorlopen. Daar is geen bewijs voor. Tegenwoordig spreekt men liever van taken die gedaan moeten worden. De taken zijn beschreven door de psycholoog Worden. Ik noem er een paar op:

  • Het aanvaarden van de realiteit van het verlies
  • Het doorleven van de pijn en het verdriet
  • Het aanpassen aan een nieuw leven waarin de overledene niet meer aanwezig is.
  • De overledene emotioneel een plaats geven en de draad van het leven weer oppakken.
  • Het onderscheid met een fasenmodel is dat er geen volgorde is in het aanpakken van deze taken.

Ten derde, men moet het verlies doorwerken. Men moet er vaak mee bezig zijn om zo tot een goede verwerldng te kunnen komen. Het is moeilijk te verteren, zeker als psycholoog, zeker in een groep als deze, maar het uiten van emoties biedt geen enkele garantie voor een hoger welbevinden op een later tijdstip. Mijn broer functioneert nog steeds prima en lijkt redelijk gelukkig.

Toch is de kern van alle al dan niet therapeutische rouwactiviteiten dat het verlies onvoldoende is doorgewerkt, en daar geloof ik terdege in. Als het niet goed loopt, praat er dan over met anderen, wees er mee bezig, deel. Alleen, er zijn dus ook veel mensen die de zaak maar vermijden en er toch goed vanaf komen.

Ten vierde, de nabestaande hervindt binnen bepaalde tijd het evenwicht. Maar over wat voor tijd hebben we het? 30 jaar geleden was dat een paar maanden, een paar jaar geleden mocht je er een jaar over doen, en hebben ze het over anderhalfjaar. Voor mij is het nu zevenentwintig jaar geleden en dat ik kan nog steeds door de herinnering uit mijn evenwicht raken.

Er zijn, zo concludeert van den Bout, vele vormen van normale rouw. De bottom-line is dus we ieder ons eigen pad moeten volgen en een ander zijn of haar eigen pad laten,

Hoe dan ook, er zijn bepaalde thema's die rouw na zelfdoding nog eens extra compliceren. Ten eerste is er de schaamte. Schaamte hangt samen met het taboe wat nog steeds rond zelfdoding hangt. Laten we er maar niet over praten, dan is het er misschien niet. Ik ga vaak naar scholen om onderzoek te kunnen doen, en u moest eens weten hoe vaak ik te horen krijg: "dat komt bij ons niet voor", of: "daar hebben we het hier maar niet over". Wat niet weet wat niet deert, zal het wel zijn. Mensen weten vaak ook echt niet wat ze er mee aanmoeten. Als je geluk hebt en er tegen iemand over begint, dan krijg je te horen "Goh wat erg voor je". Maar in de meest gevallen gaat men liever weer over op de voetbaluitslagen of de prijs van de koffie.s

Schaamte, die heeft veel te maken met buiten. De andere overheersende complicatie heeft te maken met schuld, en die zit vooral van binnen. We nemen het ons kwalijk dat er iets vreselijk gebeurd is. Dat is niet uniek voor zelfdoding. Wat dacht u van de moeder die haar kind op een boodschap uitstuurt en het land komt onder de tram? Die denkt: "had ik mijn kind maar niet op een boodschap uitgestuurd, dan was het nooit gebeurd'. Wat zou u tegen die moeder zeggen? Ik zou zeggen: "Je kon het niet weten. Jij kon niet weten dat je kind een half uur later gestorven zou zijn. Als je dat wel wist had je iets anders gedaan". Ik weet niet of dat schuldgevoel daardoor zou verminderen bij de moeder. Er is kennelijk een verschil tussen gevoelde schuld en feitelijke schuld. Ook bij zelfdoding is vrijwel nooit sprake van feitelijke schuld. Zelfs als we denken: "had ik maar wat vaker met hem gepraat, had ik maar niet die rottige opmerking gemaakt', dan nog, deden we dat met met de bedoeling om iemand zo wanhopig te maken dat-ie een eind aan zijn leven maakte. Het is niet zozeer de feitelijke schuld waar we ons niet overheen kunnen zetten, maar de gevoelde schuld. Ik was negen toen mijn zusje zich doodde. U zou misschien denken wat kan een kind van negen nou voor schuld hebben aan de dood van zijn zus? Zelfs als-ie een pistool zou pakken en iemand zou neerschieten zou-ie waarschijnlijk nog niet eens vervolgd worden, want hij zal niet goed geweten kunnen hebben waarom-ie dat deed. Toch heb ik me een tijdlang schuldig gevoeld over de dood van mijn zus. Het komt er op neer dat ik eigenlijk een liever broertje had moeten zijn zodat zij meer van mij zou houden en daarom geen suïcide zou gaan plegen. Schaamte en schuld, ze komen automatisch op na suïcide, maar laten we ze proberen te relativeren.

Toen mij zwager zich drie jaar geleden ophing, kwam er nog iets bij. Niemand had het eigenlijk zien aankomen, en mensen aan wie hij wel iets verteld had, namen hem niet seneus. Maar ik, iemand die zich al jaren met dit moeilijke onderwerp bezighield, had niks gezien. Ik had een week daarvoor nog gezellig met hem op een terrasje gezeten en gegeten. Geen flauw benul. Als ik, met mijn beroepsmatige fascinatie voor risicofactoren voor suïcide, al niets gezien heb, waarom zouden anderen zich dat dan helemaal jarenlang blijven verwijten? Achteraf zie je veel meer, kun je veel meer interpreteren, verklaren. Maar dat is achteraf. Ik was een tijdje geleden hier in de buurt waar een 14-jarige jongen zich had opgehangen. Zelfs achteraf kon ik samen met ouders en huisarts geen enkele plausibele reconstructie maken van het proces wat geleid heeft naar de dood van die jongen. Suïcide blijft vaak een mysterie. Je zou er ervoor kunnen kiezen om het maar een mysterie te laten blijven. Ik dank u voor uw aandacht en ik hoop dat u vandaag iets vindt van waar u voor komt.

Deze tekst is bedoeld voor verspreiding onder geïnteresseerden en niet in eerste instantie bedoeld voor publicatie. Elk besluit daarover dient eerst geverifieerd te worden bij Erik Jan de Wilde.

* de naam 'Carlo' is fictief

Schneidman, E. (1985). Definition of Suïcide. New York: John Wiley & Sons.
De Wilde, E.J. (1992). Specific Characteristies of Adolescent Suïcide Attempters. Amsterdam: Thesis Publishers.
Van den Bout, J. (1996). Rouwsluiers. Utrecht: De Tijdstroom.
Worden, W.J. (1992). Verdriet en rouw. Amsterdam: Swets & Zeitlinger.



Statistieken Website cdenhartog

 
 

Disclaimer

@ 2007, Cdenhartog.com.