Altijd bij me
Mijn tranen vielen op zijn hoofd waar geen zorgen meer in zaten
De dood heeft mij altijd beziggehouden. Het is nou eenmaal het enige wat zeker is in dit leven en de vraag wanneer het jouw beurt is blijft onbeantwoord, tenzij je een keuze maakt.
Ik ben niet bang om te sterven. Ik ben sterker, beter in balans dan ooit.
Ik hou nu van dit leven. Het lijkt me wel vreselijk om vergeten te worden. Ik geloof niet. Ik heb een eigen tempel in mijn hoofd en een altaar in mijn kamer. Er branden elke dag kaarsjes en er hangen foto's. Op één ervan ben ik aan het fonduen met hem, met mijn broer. Een kerstavond in 1991. We maakten altijd veel lol en het was een fijne avond. Er hangen ook foto's van hetgeen hij schilderde en een uitgeknipt stukje tekst uit Het Parool van februari 2000: de rouwadvertentie.
Mijn broer was vier jaar jonger en worstelde met het leven. Periodes van depressiviteit en onzekerheid werden afgelost door korte, wankele oplevingen. Hij was een artiest, dat zeker, maar had te weinig vertrouwen om echt aan de weg te timmeren. Vaak kwam hij langs en bleef dan eten, maar in zijn slechte periodes was hij voor niemand te bereiken. Hij vond mensen eigenlijk niet zo leuk en was gek op dieren. Een bijzonder aparte broer had ik. Soms volgde ik zijn gedachtegang totaal niet, maar wat konden we samen vreselijk lachen.

Eind december 1999 ging het echt fout. Natuurlijk had ik meer willen doen, al deed ik dat toch wel, door hem in huis te nemen. Hij sliep bij mij op zolder. Eten deed hij niet veel en het leek wel of hij niet meer op deze wereld was. Hij zat tegenover me en zweeg. Lichamelijk was hij er wel, maar het andere gedeelte leek al overgevlogen. Er drong niets meer door en het deed mij vreselijk veel verdriet. Ook ontstonden in die weken ruzies en veel verwijten waarna hij weer wegliep en toch weer terugkwam.
Hij tekende de laatste weken van zijn leven veel met Nina, van wie hij veel hield. Op 13 januari 2000 werd hij tweeëndertig en na snel wat gegeten te hebben trok hij zich onmiddellijk weer terug op zolder. Uiteindelijk zag hij in dat hij naar een crisiscentrum moest voor acute hulp. Het verdriet van mijn moeder viel niet te beschrijven. Van het crisiscentrum werd hij overgeplaatst naar het AMC.
Na een paar dagen liep hij daar weg. "Ze maken me gek, zus", huilde hij door de telefoon op de laatste zaterdag van zijn leven. Na een gesprek van een half uur hing ik huilend op. Machteloos.

Na het weglopen hebben mijn moeder en ik nog talloze gesprekken gevoerd om hem terug te krijgen, in elk geval voor medicatie. Tevergeefs. Hij keerde met zijn laatste honderd gulden terug naar Zeeland waar hij erg veel geschilderd had en een paar vrienden had zitten. Vier dagen daarna werd hij dood aangetroffen. Hij had een kogel door zijn hoofd geschoten. Nog steeds krijg ik kippenvel en tranen in mijn ogen als ik eraan denk.
Ik kan me eigenlijk alleen de begrafenis goed herinneren, daarna had ik een lichte shock. Toen hij in de aula bij het Vondelpark lag opgebaard, zag ik zo'n lieve, mooie jonge mens liggen. Mijn broertje. Ik pakte meteen zijn hand en begon uren te praten. Ik kuste hem en mijn tranen vielen op zijn hoofd waar geen zorgen meer in zaten. Ik wilde niet bij hem weg, wilde hem wakker schudden, gillen en schreeuwen dat hij ons niet kon achterlaten. Ik legde de hondenriem in zijn stijve koele hand, kon er de vingers nog net om heen buigen. Wat hield hij van die hond en wat wandelden ze veel samen.
Vier dagen lag hij daar, vier dagen was ik daar. Mijn vriend - die ik toen gelukkig nog had - heeft me ontzettend goed geholpen, zonder hem had ik het niet gered.
Een paar uur voor de begrafenis heb ik de kist afgesloten en nog een lok haar weggeknipt. Daar ging hij dan. Op reis naar geluk en rust.
De begrafenis was op Zorgvlied, aan de Amstel. Ik zal nooit vergeten hoeveel mensen daar compleet aangeslagen stonden toen wij kwamen aanrijden. In de aula was ik de enige die sprak, een van de zwaarste momenten in mijn leven. Op de kist brandden talloze waxinelichtjes en een prachtige tekst van Metallica schalde door het gebouw. Bedolven onder bloemen zakte de kist pas naar beneden toen wij de begraafplaats verlieten. "Ik hou van je!" had hij ook nog gezegd in dat lange telefoongesprek. Huilend en met een brok in mijn keel zei ik toen hetzelfde tegen hem.

Door de dood van mijn broer sta ik anders in het leven. Wil ik mijn dromen realiseren, zie ik nog meer de betrekkelijkheid van dingen. Nog nooit stond ik zo stevig in mijn schoenen. Alle verdriet en alle pijn geven uiteindelijk kracht en nieuwe energie. Ik hoop zo dat mijn broer, áls er iets is na de dood, nu wel rust en kracht voelt om zich gelukkig te voelen. Altijd blijft hij bij me. On oublie rien.