Gisteren speelden wij samen in de tuin des tijds, we verdwaalden en we raakten elkaar kwijt.
Afscheid op papier
Forsan et haec olim meminisse iuvabit ...*
Aan mijn lieve vriend Werni,
Ik moet je eerlijk bekennen dat er tijden bij zijn geweest, waarin ik het liefst in een biezen kistje had willen kruipen. Dat er momenten zijn geweest waarop ik alsmaar vluchtte in plaats van de uitdaging aan te gaan. In mijn gedachten heb ik mezelf menigmaal toevertrouwd aan die heilige stroom die mij naar betere tijden en dimensies zou voeren. Ik deed mijn ogen toe, want daar achter, in de serene ochtendschemering van mijn gedachten, was ik tenminste veilig.
Een zachte stroming voerde me daar in haar wiegende armen mee. Zorgeloos dobberde ik langzaam stroomafwaarts. En plotseling, plotseling zou er dan iemand zijn geweest die zich over mij zou hebben ontfermd. Onverwachts zou ik ineens een arm om me heen geslagen krijgen. Een sterke, doch zachte arm, die zich als een deken over mij heen zou spreiden en de kou ver van mij vandaan zou houden. Zomaar.
Een warme, fluisterende stem zou mijn oren strelen met een waterval van zoete tonen. Heerlijke gevoelens zouden zich moeiteloos meester van mij kunnen maken. Als dwarrelende sneeuwpluisjes zouden deze gevoelens op mijn huid neerdalen en er al smeltend een verrukkelijke tinteling achterlaten. Vingers als satijn zo zacht, zouden alle zorgen als een laagje stof van mijn ziel vegen en tot mijn verleden doen laten behoren. Mijn ogen zouden weer de prachtige kleuren waar kunnen nemen. Nee sterker nog, ze zouden zich er hartstochtelijk aan over willen geven en er langzaam in willen verdrinken. Dofheid en lusteloosheid zouden door één keer zachtjes blazen als sneeuw voor de zon verdwijnen. En zelfs mijn diepste ziel zou haar schreeuwende dorst weer kunnen lessen met de zoete nectar die men het leven noemt.
Het leven weer als het kostbaarste goed dat er bestaat. Een onbeschrijflijke, positieve kracht, die zich met de snelheid van het licht een weg zou banen door mijn aderen. Ze zou mijn geest verlichten en verrijken. Het onstuimige verlangen om weer carpe diem uit te stralen, zou dan weer onontkoombaar boven komen drijven. Ik zou mij in een perfekte balans bevinden. Een goed doordacht en door mij volkomen beheersbaar samenspel van alle elementen die deel uitmaakten van mijn leven.
Op het ene moment zou ik zorgeloos wild kunnen zijn en zonder enige moeite onverstoorbaar kalm op het andere. Het zou voor anderen zo helder als glas zijn, dat ik degene was die de richting van mijn leven bepaalde. En niet dat ik de speelbal zou zijn van allerlei beangstigende gevoelens. Nee, degene bij wie het biezen kistje zou aanspoelen, zou mij als het ware als de feniks op een nest van geurige kruiden verbranden, waarna ik weer verjongd zou herrijzen uit mijn as. Ik zou dan, terwijl ik moeiteloos de zwaartekracht trotseerde, alle kwellingen ver achter mij hebben gelaten.
Maar weet je lieve vriend, deze onbeteugelde dwalingen waren helaas louter hersenschimmen, die mij slechts stukjes was als bouwmateriaal aan konden bieden. Want net als ik voor de vrijheid van het luchtruim zou hebben gekozen, zou ik me realiseren dat ik de zon reeds te dicht genaderd zou zijn en ik stortte als Icarus in een woeste zee. Deze kolkende zee, bruisend van talloze gevaren, probeerde mij als een wild beest te verslinden. Alles wat mij tot mij maakte, hoorde op de een of andere manier wel bij elkaar, doch het geheel was voor mij veel te rapsodisch en te chaotisch.
En toch was er, ondanks alle krachten die mij uiteen probeerden te rafelen, iets diep in mij dat niet van opgeven wilde weten. Er was dat Iets, dat niet genoegen zou nemen met een schijnoverwinning. Een enorme sterke kern, die het rotsblok van Sisyfus wel op de top van de berg zou weten te krijgen, sluimerde ergens diep in de gangen van mijn bestaan. Zachtjes fluisterde het iets. Onverstaanbaar, maar niet onhoorbaar. Het geruis werd gedragen door een geruststellende en een intens intieme klank. En ook al was hetgeen ik leefde vaak als een Medusahoofd, er was altijd dat Iets, dat mij op tijd de verstenende blik wilde laten ontwijken. Dat mij op tijd wilde waarschuwen en dat op de een of andere merkwaardige manier oprecht om mij gaf. Net zoals jij, uit het diepste van je hart.
Lieve vriend, dit kameleontische leven dient overwonnen te worden, maar dit kan echter alleen indien je jezelf weet te overwinnen. Ik heb die strijd verloren. We zouden moeten leren luisteren naar het vage gelispel diep in onszelf. Naar die mistige doch goedaardige stem. Ik heb het niet gedaan of misschien wel niet gekund.
Iemand vertelde mij eens het volgende: "Weet je," zo sprak hij, "in de muziek bestaat er zoiets als het contrapunt. Dat is de kunst om verschillende, zelfstandige melodieën, harmonisch met elkaar te verenigen. En zo zou je ons ook kunnen zien; als een verzameling van diverse melodieën. Het enige wat ons dan nog te doen staat, is om ons meester te maken van dit contrapunt en het op de één of andere wijze tot een harmonisch geheel te arrangeren." Misschien had hij wel gelijk. Ik weet dat ik je hiermee enorm veel pijn en verdriet zal aandoen, want ik hou net zoveel van jou als jij van mij. Vergeef me, ik kan niet anders, ik heb de kracht gewoon niet meer. Maar geloof me, eens zullen er weer dagen zijn die je met een witte steen kan aankruisen, Courage. Ik hou van jou ! Tot we elkaar weer zien,
Holrad
Maar ik, Werni, wist dat ik nog een lange reis voor de boeg had. Doch het was een strijd die moest worden gestreden. Voor ons beiden.
* Misschien zal het eens een genoegen zijn ook hieraan terug te denken.
(Het schrijven hierboven komt uit het boek "De Wonderbaarlijke Zandlopers" van Win den Hartog)